Bij een hartstilstand is er vaak sprake van ventrikelfibrilleren. Dit is een zeer snelle en chaotische prikkeling van de kamers, waardoor deze niet meer samentrekken. De bloedsomloop ligt stil en het lichaam krijgt geen zuurstof meer.
Het fibrilleren moet gestopt worden. Dit heet defibrilleren. Een AED herkent als er sprake is van ventrikelfibrillatie en geeft een schokopdracht als defibrillatie nodig is. Het geeft geen schokopdracht als:
- er geen hartactie meer is en het hart helemaal stilstaat
- u buiten bewustzijn bent, maar uw hart goed functioneert
Een schok toedienen aan iemand die geen hartstilstand heeft, is dan ook niet mogelijk.